De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strikt noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om in de site te navigeren, of om te voorzien in door jou aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van jouw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker op maat gemaakte reclame en andere informatie te tonen.

LIKONA-contactdag 2022 - Everzwijnen - Jolien Wevers

Jan Mampaey:
De volgende spreker is Jolien Wevers. Ze heeft gedoctoreerd en heeft haar doctoraat vorig jaar afgelegd aan de universiteit Hasselt op everzwijnen. En zij is met haar onderzoek tot wat nieuwe inzichten gekomen. Die beesten die blijken toch echt wel slimmer te zijn dan we tot recent aannamen. En misschien heeft die intelligentie van everzwijnen toch wel zijn gevolgen om in de toekomst het everzwijnenverhaal in Limburg te kunnen vertellen en verder te kunnen beheren.
Welkom, en ik geef dan graag meteen het woord aan jou. Vertel  ons eens, die everzwijnen, welke inzichten hebben we daar nu over?

Jolien:
Ja, dat klopt. Goeiemorgen. Ik ga jullie vandaag vertellen wat ik gedaan heb in mijn doctoraat dat ik heb uitgevoerd aan de universiteit Hasselt, in samenwerking met het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek in het kader van een FBO LIFE Watch project. En een van de vragen die ik heb onderzocht is "Wat is de invloed van menselijke activiteit op het gedrag van everzwijnen". Nu, die vraag komt eigenlijk vanuit de volgende probleemstelling: We weten dat de mens een van de dominerende krachten is in zijn omgeving en we zien heel sterke urbanisatiedruk. Aan de andere kant zien we dat hoewel de globale biodiversiteit daalt, er lokaal ook enkele soorten zijn die het eigenlijk heel goed doen. Je krijgt de situaties waarbij je aan de ene kant een groeiende populatie mensen hebt en aan de andere kant een groeiende populatie dieren van een bepaalde soort. Dat zorgt ervoor dat de leefgebied van die 2 soorten, dus van mens en dier, veel sterker gaan overlappen en dat je dus ook veel vaker interactie krijgt tussen die twee, wat dus ook zorgt voor veel impact tussen die twee soorten.
Everzwijn is een van de soorten die het heel goed doet in zo’n geürbaniseerde omgeving en die ook een heel sterke impact kan hebben op de mensen. Ik denk dan aan landbouwschade en verkeersongevallen. Maar in mijn doctoraat kijk ik dus eigenlijk naar de andere kant van die vraag: "Wat is de invloed van menselijke activiteit op het gedrag van dat Everzwijn."
Nu, die vraag is vrij breed en vrij vaag geformuleerd. Dus om iets dieper in te gaan, om die iets te specifiëren, neem ik u graag even mee in een stukje theorie. We weten namelijk dat het gedrag van een dier eigenlijk in de basis altijd verklaard kan worden door enerzijds het willen vinden van voedselvoorzieningen, water en een partner, dus die basisbehoeftes. En aan de andere kant het vermijden van risico. We kunnen dus zeggen dat een dier, een everzwijn bijvoorbeeld, een bepaalde "landscape of fear" ervaart. Zo noemen we dat in het vakjargon. Dat wil eigenlijk zeggen dat hij zijn gedrag gaat aanpassen naargelang dat er allerlei soorten gevarensignalen zijn, verspreid in de tijd en in de ruimte. Nu dat gevaar is eigenlijk, of de signalen die bij gevaar horen, zijn evolutionair heel stabiel gebleven. Dus dat gaat dan bijvoorbeeld over snel bewegende voorwerpen of over harde geluiden. En als we zo spreken over verstoring, dan hebben we het eigenlijk over alle activiteiten die kunnen aanzien worden als predatie-risico die gelinkt zijn aan die hele algemene gevarensignalen. Ge ziet dus eigenlijk algemeen dat menselijke verstoring heel gelijkaardig is aan natuurlijke predatie en dat de reactie op menselijke verstoring dan ook heel gelijkaardig gaat zijn op natuurlijke predatie. Nu zijn er twee strategieën die graag gebruikt worden door dieren in respons op gevaar. En dat is aan de ene kant zullen ze vaak gevaar gaan vermijden in de ruimte, dus door bepaalde locaties te vermijden. Aan de andere kant zullen ze vaak gevaar vermijden door een andere periode in de tijd te gaan gebruiken, dus door op een ander moment actief te zijn. Als we die hele algemene vraag dus iets specifieker gaan formuleren, dan kunnen we zeggen dat we zoeken naar welke strategieën die aanpassing in de activiteit of in ruimtegebruik dat everzwijn gaat gebruiken in het kader van menselijke verstoring.
Om die vraag op te lossen hebben we eerst en vooral observaties nodig van everzwijn. Nu er zijn meerdere manieren om observaties te kunnen doen, bijvoorbeeld gps-halsbanden of persoonlijke observaties. Wij hebben in het kader van mijn onderzoek gekozen voor cameravallen omdat die zeer tijds- en kostenefficiënt zijn. Wat we gedaan hebben is met 40 cameravallen het bos in getrokken en in 60 km² van het Nationaal park Hoge Kempen die camera’s geplaatst en iedere maand op een nieuwe locatie gezet. Na 2 jaar komt dat neer op alle locaties die je hier op het kaartje ziet, dat zijn er 1.040 waarbij de zwarte gebieden die gebieden zijn die we niet hebben meegenomen in het onderzoek omdat die niet bereikbaar waren - bijvoorbeeld industrieterreinen of grote waterplassen. Dus 1.040 locaties waar we observaties hebben gedaan. Als ik u vertel dat op iedere locatie voor zo’n camera zo’n 1.000 foto’s werden getrokken. Fijne rekensom voor 1.040 locaties waren dat meer dan een miljoen foto’s en van die hele hoop foto’s willen we dus eigenlijk een indicator krijgen waarmee we onze statistische analyse kunnen doen. We hebben die foto’s dus ingevoerd in een online programma Agouti. En Agouti zorgt ervoor dat die hele berg foto’s wordt ingedeeld in reeksen waarna voor iedere reeks je kunt aanduiden welke soort er aanwezig is in de reeks, hoeveel individuen dat zijn en welke geslacht het is bijvoorbeeld. Dat zorgt ervoor dat we uiteindelijk voor iedere locatie waar de camera heeft gestaan weten hoeveel observaties er van een bepaalde soort op een bepaalde plek op een bepaald tijdstip zijn gedaan. Die observaties willen we nu dus linken aan menselijke verstoring. Hoe we dat hebben gedaan is door die "landscape of fear", waar ik het eerder al over had, eigenlijk in te tekenen voor everzwijnen. In het NP Hoge Kempen ziet dat er ongeveer zo uit (toont kaart) waarbij de 2 belangrijkste habitats voor everzwijn naaldbossen en loofbossen zijn. Waarbij vooral loofbos zeer belangrijk is omwille van voedselvoorzieningen. Voor menselijke verstoring hebben we de locatie van wegen gebruikt als proxy voor recreatie en de locatie van hoogzitten als proxy voor jacht. We hebben dus onze observaties, we hebben onze "landscape of fear". Onze hypothese is nu dus dat het everzwijn zijn activiteitpatroon en zijn ruimtegebruik gaat aanpassen aan dat "landscape of fear". Om die hypothese te testen zijn we begonnen aan een hele algemene analyse waarbij we de activiteiten van een jaar hebben geclusterd en daar het activiteitenpatroon en het ruimtegebruik op berekend. En als we dan eens kijken naar het activiteitenpatroon van everzwijn en van de mens dan zien we niet heel on-verrassend dat de mens vooral actief is doorheen de dag met een piek van activiteiten om 15 u. ’s middags. En dat everzwijnen vooral actief zijn, activiteitenpiek ook om 3 u. maar dan ’s nachts. De overlap tussen die 2 soorten, de overlap tussen die soorten in activiteit, bedraagt ongeveer 20 %, wat al een eerste indicatie is dat everzwijnen vooral actief zullen zijn ‘s nachts om contact met mensen te vermijden. Kijken we dan naar het algemene ruimtegebruik overheen een jaar, dan zien we eigenlijk geen vermijding van menselijke infrastructuur. Geen vermijding van wegen en hoogzitten. Wat we wel zien is dat loofbos een zeer sterke aantrekkingskracht heeft. Bos is eigenlijk de belangrijkste factor voor het voorspellen van aanwezigheid van everzwijn op een bepaalde locatie. Nu denkt ge misschien, oké Jolien, allemaal goed en wel die analyses maar zo overheen een jaar samen geclusterd da’s wel vrij grof. En dat klopt inderdaad want menselijke verstoring blijft niet constant doorheen een jaar. Ik toon hier als voorbeeld daarvan het jachtregime in het Nationaal Park Hoge Kempen waarbij je al meteen ziet dat er een ruimtelijke verspreiding van verschillende jachtzones is. Zo ziet ge bijvoorbeeld in het wit dat er zones zijn waar er nooit wordt gejaagd, in het lichtgrijs dat er zones zijn waar er periodiek wordt gejaagd, dus in bepaalde periodes in het jaar. En in de donkergrijze zones dat er permanent door het jaar gejaagd wordt. Die zwarte zones zijn de zones die we niet hebben meegenomen in onze analyses. En wat we dus eigenlijk hebben gedaan is het jaar ingedeeld in 3 periodes met een oplopende intensiteit van verstoring. Zo zien we dus bijvoorbeeld in de zomer, wanneer er eigenlijk alleen gejaagd wordt in die zones waar er het hele jaar door gejaagd wordt dat de effectieve intensiteit van verstoring eigenlijk heel laag is omdat er maar een heel laag afschot is. In de herfst is opnieuw alleen jacht in die permanent bejaagde zones. Maar in de herfst wel meer afschot dus een hogere intensiteit van verstoring. De winter dan, is een periode waarin er zowel in die permanent bejaagde zones als in die tijdelijk bejaagde zones gejaagd wordt, dus een vrij hoge intensiteit van verstoring. Wat we ons nu zijn gaan afvragen is: veranderen die strategieën als de intensiteit van verstoring verandert? Kijken we naar het activiteitenpatroon dan zien we dat everzwijnen in de zomer, dus wanneer de intensiteit van verstoring laag was, vooral actief werden tijdens zonsondergang. Als we de intensiteit van verstoring een beetje optrekken, dus hogere intensiteit, dan zien we dat de activiteitenpiek verschuift, dus dat everzwijnen pas actief gaan zijn na middernacht. Trekken we de intensiteit van verstoring nog wat omhoog, dan zien we dat de activiteitenpiek weer verschuift. Dus dat ze in de winter, dus bij de hoogste intensiteit van verstoring, pas actief gaan worden in de diepe nacht. Nu zijn we daar nog een stapje verder in gegaan, want ge ziet die intensiteit is niet homogeen verdeeld over het Nationaal Park, dus we zijn ook gaan kijken, verschilt die strategie? Verschilt het activiteitenpatroon tussen die zones waarin wel en waar niet gejaagd wordt?
In de zomer zien we geen verschil tussen de zones waarin wel en niet gejaagd wordt, wat een indicatie is dat de verstoring in die bejaagde zones effectief zeer laag is. Verrassend genoeg zien we in de winter – of ja, verrassend genoeg is dat eigenlijk niet – zien we in de winter ook geen verschil tussen die zones omdat op dat moment eigenlijk in bijna het hele Nationale Park een heel hoge intensiteit is dus het activiteitenpatroon is dus gelijk over het hele gebied. In de herfst zien we wel een dynamische respons. Dus… In die zones waar er op dat moment niet gejaagd wordt gaan de everzwijnen tussen zonsondergang en middernacht actief worden. Terwijl in die zones waarin er wel gejaagd wordt op dat moment gaan everzwijnen pas diep in de nacht actief worden. Je ziet dus een dynamische respons waarbij ze eerst die gebieden gaan gebruiken waarbij er weinig verstoring is en dan op een moment waarop die verstoring waarschijnlijk minder is, pas die gebieden gaan gebruiken waar er wel hoge verstoring is.
Als we dan eens kijken naar het ruimtegebruik tussen die 3 periodes dan zien we eigenlijk dat zowel in de zomer als in de winter dat er vooral een zeer sterke invloed is van habitatvariabelen. In de zomer zeer lage intensiteit van verstoring, dus waarschijnlijk is dat de habitat gewoon de sterkste factor is die het ruimtegebruik beïnvloedt. In de winter is waarschijnlijk de verstoring zo hoog doorheen het park dat er eigenlijk geen vermijding meer mogelijk is in de ruimte waardoor ook die habitatvariabelen belangrijker gaan worden. Opnieuw is het in de herfst wanneer die verstoring eigenlijk verspreid is in de ruimte dat we ook in het ruimtegebruik van het everzwijn dynamische respons zien. We zien namelijk op dat moment dat dan nog steeds die habitatvariabelen een zeer belangrijke factor is in het verklaren van het voorkomen van het everzwijnen maar dat er op dat moment ook een vermijding is van hoogzitten. Dus een effectieve vermijding van menselijke infrastructuur. Als we dan heel even terug cirkelen naar onze hypothese. "Het everzwijn past zijn activiteitenpatroon en zijn ruimtegebruik aan aan zijn landscape of fear", dan is het antwoord daarop eigenlijk een ja-maar-antwoord. We zagen ook dat als we op heel algemeen niveau kijken dat het activiteitpatroon inderdaad aangeeft dat ze hun gedrag aanpassen, dus door in de nacht actief te zijn, het contact met mensen te vermijden, maar dat bos eigenlijk nog altijd de belangrijkste factor is voor het verklaren van het ruimtegebruik. Het is pas als we eigenlijk naar die meer  kleinschalige analyses gaan, dat we niet alleen die aanpassing in het activiteitenpatroon zien, dus waarbij die activiteitenpiek verschuift naarmate dat de intensiteit hoger wordt, dat we dan ook die dynamische respons in het ruimtegebruik zien en ook effectief een vermijding van menselijke infrastructuur zien. De "take home message" hier is dus dat het eigenlijk de flexibiliteit is van het everzwijn dat ervoor zorgt dat ongeacht dat er wel veel menselijke verstoring is in het landschap, dat ze hun gedrag aanpassen om zo toch het hele landschap te kunnen gebruiken eigenlijk.
Dan dank ik u voor het luisteren en ik weet niet of er nog tijd is voor vragen, maar ik denk het wel…

Jan: Dankjewel Jolien voor deze inzichten in het everzwijn. We hebben een paar vragen voor jou. Eerste vraag is: je hebt erg gefocust op die jachtdruk. Heeft die jachtdruk in dat jachtgebied dan een zware impact op het dag-nachtpatroon en de seizoens-patronen? Is dat de conclusie die we mogen trekken, en hoe zit dat juist?
Jolien: De reden dat we eigenlijk vooral gefocust hebben op die jachtdruk is omdat we in die algemene analyses al zagen dat jacht eigenlijk een belangrijkere factor was dan recreatie, dus dat we eigenlijk ervan uitgingen dat dit een sterkere invloed ging hebben, we gaan hierop verder focussen want we kunnen niet alles analyseren jammer genoeg. Maar ook eigenlijk omdat die jachtregimes in het Nationaal Park zijn zeer sterk afgelijnd en zijn dus een hele fijne parameter om analyses op te doen. Terwijl recreatie is veel meer flou en ook niet constant doorheen het jaar en daar zou je inderdaad ook die analyses op kunnen doen. Maar het is eigenlijk gewoon een keuze geweest om voor die jachtdruk te kiezen. En het is inderdaad een beetje de conclusie dat, het heeft niet zozeer met die seizoenen te maken maar meer met de intensiteit van de jacht. Dat hoe hoger de jachtdruk, en dat kunt ge waarschijnlijk extrapoleren naar algemene menselijke druk, dus hoe hoger die druk, hoe sterker die aanpassing gaat zijn. Behalve dan in het ruimtegebruik. Daar zien we dan dat die hele specifieke verspreiding gaan moeten hebben voordat ge dat ruimtegebruik aangepast ziet.

Jan: Als ik die redenering doortrek, hoe groot is dan de kans dat er op een gegeven moment ook eens everzwijnen passeren op de Grote Markt in Hasselt, want daar wordt niet gejaagd?
Jolien: Ja, dat is een zeer goeie vergelijking. Nu het is natuurlijk, we zitten hier in het Nationaal Park Hoge Kempen, een zeer bebost gebied, bewezen dat er daar heel veel everzwijnen zitten. Het is niet zeker dat we die resultaten 1 op 1 kunnen extrapoleren naar nog meer verstedelijkte situatie gelijk die Grote Markt van Hasselt, maar de kans is niet uitgesloten dat dat kan gebeuren.

Jan: Is er een mogelijkheid dat dieren dat gewoon worden, dat in bepaalde gebieden, bijvoorbeeld de Grote Markt in Hasselt – niet gejaagd wordt? Eh, oké, dit is er een beetje over die Grote Markt, maar dat er in bepaalde gebieden niet gejaagd wordt en dat zij daar ja gewoon aan gaan worden en dat ze op die manier hun gewoon patroon daar gaan behouden? Hoe schat je dat in?
Jolien: Dat hangt natuurlijk van heel veel factoren af. Zeker in dat ruimtegebruik is de aanwezigheid van dat bos heel belangrijk ook voor kolonisatie van gebieden, maar ja het everzwijn is een heel flexibel dier en kan zich heel goed aanpassen. We zien bijvoorbeeld in Berlijn ook dat het geval dat everzwijnen de stad in gaan. Ja, of het nu kan zeggen dat gaat in onze Grote Markt in Hasselt ook zo zijn, dat kan ik u niet vertellen maar het is in ieder geval niet ongezien dat dat gebeurt door die flexibiliteit, ja.

Jan: Een heel andere vraag. Na een aantal mastjaren met heel veel eikels en noten hebben we deze winter een winter met veel minder eikels. Gaat dat veel impact hebben op de everzwijnpopulatie. Het is iets wat natuurlijk niet direct met uw onderwerp te maken heeft wat jij onderzocht hebt maar misschien kan je er wel iets zinvols over zeggen.
Jolien: Ja, het zou mogelijk zijn dat dat invloed heeft op het ruimtegebruik omdat dat, ja, normaal gezien is loofbos een heel belangrijke factor omwille van die voedselvoorziening. Als dat voedsel daar lager is dan bestaat de kans dat er een andere habitat moet worden gebruikt worden om naar voedsel te zoeken. Het zou inderdaad wel een impact kunnen hebben op het gedrag van everzwijnen.
Jan: Dus het zou kunnen dat ze meer de velden gaan opzoeken deze winter dan de vorige jaren.
Jolien: Ja, dat is een van de mogelijkheden ja.

Jan: Oké. Jolien hartelijk dank voor uw inzichten, en nog veel succes.
Er zijn nog een paar vragen hier. Een momentje…
Ah, nog een interessante vraag is: Is de populatie groter op de plaatsen waar dat er niet gejaagd wordt? Met andere woorden, heeft dat zin om op die beesten te jagen.
Jolien: Ja, aantallen zijn altijd een hele populaire vraag. Helaas juist het onderwerp wat helemaal niks met mijn doctoraat te maken heeft, specifiek omdat we meer op dat gedrag zijn gaan focussen. Dus qua aantallen daar kan ik eigenlijk echt geen inzicht in geven dus…
Jan: Geen enkel probleem. Vragen mogen we stellen he.
Jolien: Zeker
Jan: Je kan alleen maar aangeven dat je er geen gegevens over hebt.
Dankuwel, en nog veel succes.
Jolien: Ja, dankuwel.